Oller, Narcis 2014

‘Pilar Prim’ van Narcís Oller. ‘De enige weg tot geluk is beminnen en bemind worden’

Om Pilar Prim en Marcial Deberga draait het in het boek: ‘Pilar Prim’ van de Catalaanse schrijver Narcís Oller (1846 -1933). Uitgave Menken Kasander & Wigman, vertaling en nawoord Frans Oosterholt. Zíj, Pilar Prim, knappe weduwe van de veel oudere Andreu Dou, een rijke industrieel uit Barcelona. Hij was een jaloerse echtgenoot die haar van de buitenwereld afschermde. Ze was niet gelukkig met hem. Híj, Marcial Deberga, een jonge aantrekkelijke advocaat, zonder praktijk, liefhebber van vrouwen. Prim en haar beide kinderen ontmoeten Deberga op een treinreis die ze maken naar Cerdanya, een dorp in de Spaanse Pyreneeën. Prachtig verwoordt Oller hoe hun ogen maar geen genoeg kregen ‘van die langwerpige vallei, doorsneden door de fraaie bosschages van de Segre en zijn zijrivieren, en ingesloten door twee grote bergketens van de Pyreneeën, die met hun violette toppen tot aan de hemel reikten. Uitgestrekte smaragdgroene weiden bekleedden grote delen van de vlakte, terwijl de maaier het gouden koren slechtte en de velden bespikkelde met hooibergen, die vanuit de verte voor neergeknielde kamelen of dromedarissen gehouden konden worden.’ Pilar is een ongelukkige, eenzame vrouw, ze mag niet meer trouwen, zo besliste haar tirannieke overleden echtgenoot, daar ze dan onterfd zal worden. ‘Een weduwe met kinderen die gebonden was aan een despotisch testament zoals dat van haar wrede echtgenoot’, schrijft Oller. Over zijn graf regeert hij nog over haar. Deberga echter, leidt een bruin leven als troetelneef van een rijke tante, die hem overigens later in de kou laat staan. Fervent rokkenjager als hij is voelt hij als hij Pilar ontmoet dat zij de ware is en anders dan alle vrouwen waar hij het in zijn leven op gemunt heeft. Ook zij ervaart dat. In een poëtisch-romantische en verheven taal, passend in die tijd, lezen we hoe teder de gevoelens van Deberga voor Pilar zijn en omgekeerd: ‘Wat een bovenaardse dromen, wat een wellustige verlangens, wat een sensuele begeerten, wat een verheven verwachtingen van de hel naar het paradijs, van het dode leven naar het levende leven!’ Toch durft Pilar niet toe te geven aan haar verlangens. Ze is met handen en voeten gebonden aan haar schoonfamilie, van wie ze, vooral financieel gezien, afhankelijk is. Ze proberen haar geld te verduisteren en haar dochter af te pakken…Gelukkig heeft ze een paar betrouwbare vriendinnen die haar helpen waaronder Osita die uitroept: ‘Luister, ik wil je alleen maar heureuse zien. De enige weg tot geluk is beminnen en bemind worden. Als jij van hem houdt en hij houdt van jou, wees dan niet sotte. Zorg dat je niet alleen op de wereld bent: zorg dat deze akelige eenzaamheid van je niet te lang duurt.’ Maar Pilar staat voor een moeilijke beslissing: zal ze toegeven aan haar amoureuze verlangens naar de intussen financieel gedupeerde Deberga die geen carrière heeft gemaakt? Want dat betekent een huwelijks leven in armoede of de dubieuze status van zijn maîtresse zijn. Op één van de laatste bladzijden vraagt Pilar zich af als ze Deberga’s kamer binnenloopt en hij haar aankijkt: ‘Waarvoor, voor wie moest ze haar liefde, haar fortuin, haar leven opofferen? De verschijning van haar idool verblindde haar en…de onweerstaanbare en mysterieuze kracht die ons op beslissende momenten in ons liefdesleven voortstuwt, dreef de arme vrouw ertoe alle risico’s van haar duistere lot als in trance te omarmen.’ Oller laat de lezer in het ongewisse, hij kiest voor een open einde. Frans Oosterholt belicht in het nawoord de ontwikkeling van Ollers schrijverschap, dat hij combineerde met zijn werk als advocaat. Pilar is zijn laatste roman. Hoewel de barokke stijl virtuoos is, is die met zijn ellenlange zinnen, niet van vandaag. De inhoud, waarin Oller een scherpe visie toont op de zielenroerselen van een man en een vrouw die weten dat ze voor elkaar bestemd zijn, maar dat al dan niet kunnen realiseren, is van alle tijden.

Ellen de Jong 2014